We rijden opnieuw naar de zee: naar Dubai, in de Verenigde Arabische Emiraten. Een wereld die nauwelijks nog aansluit bij wat we nu gewend zijn. Alles is groot, glanzend en vooral druk. Op vijfbaanswegen glijden de duurste auto’s voorbij alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Na dagen in de natuur eten we in heel hoog gebouw bijna sprakeloos een hamburger, terwijl we kijken naar glitterende boten in een jachthaven met erboven een zipline.


Adriaan vindt een hotel, anderhalf uur ten noorden van Dubai. Twee op de zeven reviews op booking.com blijken pijnlijk accuraat: op het dak boven de negende verdieping is een club die twee nachten per week alles uit de kast haalt. Zelfs ons bed op de derde verdieping trilt mee op de lage tonen, want het is één van die twee nachten per week...
Ondertussen spartelt mijn lichaam tegen. Waarschijnlijk door verminderde immuniteit krijg ik zona (gordelroos), ter hoogte van mijn middenrif en rug. Het doet pijn. Omdat ik, met het oog op mijn rol als grootmoeder, zeker wil zijn dat er geen besmettingsgevaar zal zijn voor pasgeborenen, zoeken we een arts. De Soedanese dokter stelt me gerust: het is inderdaad het pokkenvirus, maar over een maand zal ik niet meer besmettelijk zijn. Om helemaal zeker te gaan schrijft hij medicijnen voor.
We rijden naar het uiterste puntje van het Arabisch Schiereiland, dat van Oman is. We hebben een unieke plek gevonden aan de Straat van Hormuz en denken dat we alleen zullen staan, aan het einde van een moeilijk steil pad, aan zee, tussen de rotsen. Dat klopt… even. Al snel komt Ben, een motorreiziger uit het Verenigd Koninkrijk. Later volgt een familie uit Abu Dhabi. Ik krijg er weinig van mee; bij aankomst kruip ik meteen de tent in (liggen verlicht de pijn een beetje). Adriaan brengt de avond door met Ben.



Later – of is het al nacht? – arriveren drie Algerijnen uit Dubai met veel lawaai en licht. In de ochtend ben ik daardoor geïrriteerd, maar dat zakt weg als we eenmaal in gesprek raken. Het zijn gewoon mensen die ook, zoals wij, op een unieke plek willen kamperen. Zij brengen een groot deel van de dag door in het water en delen de vissen die ze vangen met ons.
Wanneer we maandag willen vertrekken, stopt visser Mohammed met zijn boot. Hij wil ons meenemen voor een tochtje, zomaar. Het is vreemd hoe onze eerste reflex altijd is: “Wat wil die van ons?”. En zo blijven we nog een dagje hangen op deze inmiddels weer eenzame Omaanse plek.
Op de terugweg rijden we opnieuw de Emiraten binnen, op doorreis naar Saudi-Arabië. We maken eerst nog een korte stop in Dubai, om één van de twee palmeilanden te zien. Kunstmatige eilanden in de vorm van een palm met glamoureuze hotels en dure villa’s (die ook Europese criminelen huisvesten). Ik navigeer Adriaan naar “Atlantis” – een enorm en ook enorm luxe hotel (voor een sanitaire stop). Onze vieze Beast wordt vriendelijk maar resoluut naar een parkeerplek tussen de autobussen geleid. De ‘gewone’ toeristen met ‘gewone’ auto’s – Lexus, Lamborghini’s, Maserati’s – mogen hun vehikels achterlaten voor de lobby – het personeel parkeert. Atlantis is een toplocatie met prettige toiletten.


Na een nachtje middenin de woestijn (naast een nieuwe hoge-druk olieafsluiter – de olie komt hier nog steeds vanzelf uit de grond) beginnen we vroeg aan kilometers-vreten. Maar de dag loopt anders: een volledig kapotgereden band en een tijdrovende grensovergang naar Saudi-Arabië. De Saudi’s nemen het serieus. Lange rijen voor de controle van het e-visum en de auto. Uren gaan voorbij en we zijn blij als men zegt “Je kunt gaan”. Net over de grens, tegen zonsondergang, vinden we een SIM kaart. De volgende dag (vrijdag) lukt het niet ons overgebleven Omaans geld te wisselen en een aansprakelijkheids verzekering vinden we al evenmin.


We bereiken Riyad. Adriaan heeft een appartement geboekt in een buitenwijk. Het stelt weinig voor, maar het bed en de douche zijn goed. Dat geeft me de kans om uit te zieken, terwijl Adriaan in de buurt op zoek gaat naar een nieuwe reserveband, een startaccu, een nieuw was/verkleed tentje en een verzekering. Het lijkt wel de USA: zonder Saudische ID kaart of – nummerplaat maken de computers geen polis.
We maken hier voor het eerst echt kennis met de Saudische cultuur. Vrouwen zie je nauwelijks, of volledig gehuld in zwarte Abaya’s, de gezichten verborgen. Restaurants waar je gemoedelijk kan zitten zijn moeilijk te vinden, en dan hebben ze een aparte, kleine ruimte voor vrouwen (‘familie’, eigenlijk). Vrouwen eten met de Abaya nog aan. ‘Take away’ is de norm en wij eten in ons apartement (zoals iedereen?). Saudi-Arabië werkt aan “Vision 2030”. Miljarden worden geïnvesteerd om toeristen te ontvangen. Het contrast met de hedendaagse realiteit, in deze buitenwijk, is voelbaar.
Uitzieken betekent ook lezen: reisgidsen, kaarten, highlights. Zo krijgen sommige plekken al vorm nog voor we er zijn. Al Ula en Hegra worden vaak genoemd. Geen achteloze stops, maar bestemmingen met gewicht.
Na Riyad rijden we eerst naar de Edge of the World. Een indrukwekkende scheur in het aardoppervlak waar de hoogvlakte plots ophoudt en stilte de ruimte krijgt. Het voelt in meer opzichten als een overgang: weg van de stad, richting iets (geologisch) ouder, trager. We komen een uurtje voor zonsondergang aan, net voordat enkele tourbussen toeristen braken.



In Buraydah belanden we op de grootste kamelenmarkt ter wereld. Een chaos van geluid, stof en beweging en overal kamelen (natuurlijk). We lopen er rond en worden al snel uitgenodigd voor thee door veehandelaren in een bedoeïentent. We slapen voor het eerst in de daktent middenin een stad, omdat we vóór donker de stad niet meer uit kunnen. Het is niet comfortabel – overal mensen, gebouwen, verkeer en licht. Nog voor dag en dauw – we blijken omringd door moskeëen die om 5:30 uur in de ochtend omroepen dat Allah groot is – vertrekken we.


Medina is een pelgrimsstad, een beetje zoals Lourdes. Massa’s gelovigen trekken naar de moskee. Sinds enkele jaren mogen ook niet-moslims er rondlopen. Het is indrukwekkend en leerzaam. Voor velen is dit een tussenstop op weg naar Mekka – nog een stap verder, een plek waar wij niét mogen komen. We ontmoeten enkele reizende gelovigen die op weg zijn naar Mekka. Ze zijn in 2 witte handdoeken gehuld. Een teken van reinheid.




Tussen al die beweging groeit onze volgende bestemming verder in gedachten: Al Ula, een groene vallei in een hard landschap, ooit een rustpunt voor karavanen. En net daarbuiten Hegra, ook wel Madā’in Ṣāliḥ genoemd. Een oude Nabateese stad, ouder dan Petra (in Jordanië), waar monumentale graven uit de rotsen zijn gehouwen. Eeuwenlang werd deze plek gemeden, gezien als vervloekt, en bleef ze onaangeroerd. Pas recent ging Hegra open voor bezoekers, voorzichtig en gereguleerd. Geen spektakel, maar stilte en steen. Het voelt niet als zomaar een plek op de route, maar als een bestemming waar we langzaam naartoe reizen, mentaal al langer dan geografisch.



En dan, ergens onderweg, licht mijn telefoon op. In de WhatsApp groep ‘Arabic Penisula Overland’ lees ik dat Robert met zijn BMW-motor gestrand is. Op nauwelijks honderd kilometer van onze slaapplaats. Ik antwoord zonder aarzelen dat we de volgende dag langskomen. Handige Adriaan zal het wel fiksen.
Zo voert het toeval ons naar Wadi Al Disah. Een wadi is een vallei in de woestijn die het regenwater geleidt naar open plaatsen, om het daarna stil en geduldig aan de aarde terug te geven. Er is (een beetje) regen voorzien en de Saudische autoriteiten hebben de vallei afgesloten. Robert logeert bij Ahmoud, een paar honderd meter na de afzetting, tussen hoge rotswanden. Na wat gemor en gebaren bij de politie mogen we er ‘heel even’ in.

Robert is geen jonge, bange dertiger die om hulp roept (zoals ik me had voorgesteld na het lezen van zijn berichten en profiel) maar een zestiger met een rustige blik. Adriaan moet passen: de koppelingsplaten zijn kapot gegaan tijdens een wilde rit door het zand.


Maar Robert’s pech blijkt onze sleutel. Het bezoek voor ‘even’, rekt zich uit tot de volgende ochtend, dankzij Ahmoud. Na zonsondergang tillen we de motor in de pickup van Ahmoud. We eten geurig, rijk voedsel en Adriaan raakt tijdens de thee verwikkeld in een levendig gesprek met onze gastheer. Uitzonderlijk gaat het over politiek en religie. (Als het aan ‘de Arabieren’ ligt, kunnen wij olie gaan afrekenen in Euro’s per kubieke meter. Trump is ook hier niet geliefd.) Ahmoud is een grappige, charmante gastheer. De volgende morgen rijden we gezamenlijk door de nog steeds gesloten Wadi naar Tabouk, waar Robert transport naar Jeddah heeft geregeld.

Neom staat nog op mijn Saoedische bucketlist. Het is onderdeel van “Vision 2030”: een stad van staal en glas, begroot op vijfhonderd miljard dollar. Overal kranen, stof, haast. Dichtbij de futuristische stad mogen we niet komen; de toekomst blijft op afstand. Deze omweg levert niets op.

Onze omwegen door dit land komen daarmee aan hun einde. Voor ons liggen drie conflict landen: Syrië, Irak en Iran. We hebben ervoor gekozen door Irak te rijden en dus óm Syrië heen. Die weg leidt ons door Jordanië. Hoe dat verloopt is het onderwerp van de volgende, (waarschijnlijk) laatste blogaflevering.
Bekijk meer fotos en de afgelegde route.