We reden nog een laatste lus door Kenia, noordwaarts, en vonden onderweg wat je niet kunt plannen: mooie plekken en onverwachte ontmoetingen. Zo kwamen we bij toeval terecht bij Ken en zijn vriend — toevallig ook Ken geheten. Hij bezit een boerderij waar sperziebonen worden verbouwd: keurige, groene staken die elke avond met de KLM naar Europa vertrekken en een dag later in de rekken van Albert Heijn/Delhaize (en Aldi) liggen. Het idee alleen al blijft vreemd: hier, tussen rood stof en acaciabomen, begint een keten die eindigt in een Europese supermarkt.




We bleven enkele dagen. Misschien te lang, want het was zo’n plek waar je makkelijk blijft hangen. Intens ook. ‘s Avonds werd er vuur gemaakt en verzamelden jongeren zich eromheen. Twee vijftigers — Ken en zijn compagnon — deelden levenslessen over alles wat ertoe doet. Het was duidelijk ‘men only’. Ik kreeg de verhalen later alleen van Adriaan te horen. Zo grappig dat ze zelfs een paar aangeklede etalagepoppen hadden neergezet hier en daar.


Net als onze volgende gastheer, Teddy, droomde Ken groots: plannen voor een camping, uitbreidingen, constructies. Ideeën waren er genoeg. Teddy nam ons mee voor een korte wandeling door de omgeving en liet ons kennismaken met lokaal Keniaans eten — eenvoudig, voedzaam, warm.



Daarna trok Mombasa aan ons. Tijd om The Beast en onze bagage klaar te maken voor een zeetocht richting Oman. Kleren wassen, auto zee-klaar maken, wachten. Na de miserie met de overzet van Ghana naar Namibië wilde Adriaan pas vertrekken wanneer the Beast effectief in een verzegelde container stond. Via Facebook — wie had dat gedacht — vond ik Filip, die een container wilde delen. Plots werd het verhaal een stuk betaalbaarder.
De overtocht duurde maar vijf dagen, maar de rederij wilde de container vijf dagen voor afvaart geleverd hebben. Na wat rekenen en wikken (over onze ecologische voetafdruk versus 'wachten' in strandhotels) besloten we het anders aan te pakken: tien dagen België.


We hielpen Floris en Céline bij hun verhuis naar een nieuwe woning — dozen, trappen, lachen tussendoor. Hulp van handige Adriaan is altijd welkom. Het werd voor mij een week Antwerpen. Adriaan had zich intussen teruggetrokken in Odrimont, waar hij uitrustte en de visa voor onze volgende landen regelde. Het was afwisselend, intens en fijn. Ik genoot van elke minuut. Korte periodes kunnen verrassend veel doen: vermoeiend, maar hartverwarmend.


Mijn lichaam dacht daar anders over. Een bezoek aan het Tropisch Instituut drong zich op; het voelde alsof ik een ongenode gast had meegebracht uit Afrika. Medicatie (die uit Frankrijk moest komen) volgde en langzaam leek er beterschap te komen.
Op 22 december vertrokken we richting Oman. Via Frankfurt en Muscat kwamen we na bijna achttien uur reizen, de volgende dag, aan in Salalah, in het zuiden van het land. Adriaan had vooruitziend een hotel geboekt. Na een kleine maaltijd vielen we vrijwel meteen in slaap.
Op 24 december haalt Adriaan, zichtbaar opgelucht, The Beast en de auto van Filip uit de nog steeds verzegelde container. In Mombasa én in Oman had niemand de moeite genomen om de inhoud te controleren. Soms zit het mee.
Het hotelmanagement had intussen alles uit de kast gehaald voor een kerstavond voor hun voornamelijk Europese gasten. Een prachtig buffet: rijk, gevarieerd, overvloedig. Er was ook een enthousiaste DJ, duidelijk gericht op een jong danspubliek. Iemand van de Europese gasten draaide een luidspreker discreet een andere kant op.



Onze gereserveerde tafel bleek vergeten. We belandden in een aparte familieruimte: kleine, met gordijnen afgescheiden compartimenten waar vooral families kunnen eten, vrij van blikken. De meeste vrouwen dragen hier een boerka, het gezicht grotendeels bedekt. Ik ben opnieuw ziek en laat het buffet grotendeels aan me voorbijgaan. Adriaan niet.
Na Afrika voelt Oman als een andere wereld. Alles is schoon, georganiseerd, glad — alsof chaos hier nooit heeft bestaan. Malls en supermarkten glanzen, gevuld met een overvloed die vanzelfsprekend lijkt. Tot 1990 bleef dit land gesloten voor toeristen; pas recent heeft Oman zijn deuren geopend. De sporen daarvan zijn overal zichtbaar: moderne hotels, brede wegen, een infrastructuur die blijk geeft van vooruitgang. Overal gehuurde auto’s met westerlingen (of hun Omaanse gidsen) achter het stuur. Oman heeft grootste plannen tegen 2030 en wil de toeristische sector verder uitbreiden met nieuwe hotels, extra luchthavens…
We rijden zuidwaarts, richting Jemen, tot de weg ophoudt te roepen. Op een klif, hoog boven het water, vinden we een plek om te slapen. De stilte, af en toe doorbroken door een golfslag, is diep en allesomvattend. Mensen komen kijken, blijven even staan, en verdwijnen weer. Wij blijven achter, met de zee onder ons en niets dat nog beweegt.

Verder noordwaarts bezoeken we een frankincense-park. Wierook, gewonnen door in het voorjaar kleine sneetjes te maken in de Boswellia-bomen — een oud ritueel, bijna teder. In de stad is alles modern en groot, maar eenmaal in het achterland wordt het leeg. Weinig winkels. Veel woestijn. Een kleine zoektocht naar brood en groenten. Ik heb me al aangepast en eet nu ‘s morgens een ontbijt van gestoofde paprika en uien met ei of yoghurt met fruit.

We kamperen op een plek tussen kamelen. Het is er koud. Ik besef dat ik mijn jas in het vliegtuig heb laten liggen. Op zondag rijden we terug naar de luchthaven. Zonder succes. Iemand anders zal blij zijn met een achtergelaten kledingstuk. Opnieuw, want ondertussen blijken mijn vergeten kledingstukken over de hele wereld een eigen leven te leiden. Werkpuntje voor 2026?

Ons plan om door het binnenland te trekken laten we varen. In plaats daarvan kiezen we voor de kustweg: spectaculair, ruig, adembenemend mooi. Dit gedeelte van Oman is nog weinig ontwikkeld, waardoor er ook minder verkeer is. In een grote baai slaan we af naar de Sugar Dunes. Prachtig, maar de wind maakt het verblijf tot een oefening in zand verduren.


Een groot voordeel van Oman is dat men overal mag wildkamperen. Er zijn nagenoeg geen campings, en daarom mag je legaal een plekje kiezen. Wildkamperen blijft een blijvend genot voor mij.
Na Afrika, waar Adriaan vooral motorrijders uit de nood hielp, vindt hij hier een nieuwe uitdaging. Samen met The Beast trekt hij eerst een vrachtwagen(!) uit het zand. Dat ging vlot. Daarna een Toyota Prado, met drie Indiase priesters aan boord — een ander verhaal, maar ook dat brachten ze tot een goed einde.


De wind blijft aanhouden. We brengen de overgang van oudjaar door in een hotel. Nieuwjaar wordt hier volgens de islamitische kalender pas in juni 2026 gevierd. Het is geen aftellen, geen vuurwerk, geen feestjes. Alleen stilte, airco en het zachte besef dat we alweer onderweg zijn.
We vinden nieuwjaarsdag een plekje vlakbij hogere duinen, onder een enkele eenzame boom die daar trots staat en ons de nodige schaduw geeft. Terwijl we een maaltijd bereiden, kijken we toe hoe verschillende auto’s — gehuurd of niet — proberen de steile duinen te beklimmen, maar telkens falen. Zelf wagen we de klim te voet, tot bovenop een duin waarvan we geen idee hebben hoe hoog hij is. Het klimmen in het zachte zand is zwaarder dan we ons voorstelden maar het uitzicht beloont de inspanning.


In Muscat nemen we intrek in een hotel en maken later een wandeling richting de zee en de Mutrah-souq, de bekendste en dus ook de drukste markt van Oman. Ik geniet van het kleurenpalet en de geuren van de talloze kruiden, maar het is zó druk dat we hier verder niet lang willen blijven.


Omaanse mannen kleden zich in een dishdasha, een lang, hagelwit kleed dat er voor het oog allemaal identiek uitziet, maar subtiel verschilt in de afwerking, vooral in het geborduurde stiksel rond de sluiting. Ter hoogte van de neklijn bevindt zich een kleine flosh waar parfum kan worden aangebracht. Op hun hoofd dragen ze een kuma, een kleine, platte, geborduurde pet.
Sommige toeristen laten zich uitdossen in de Omaanse klederdracht, wat een koddig gezicht oplevert. Anderen hebben het hoofdstuk 'kleding' in de Omaanse reisgids niet gelezen en lopen bepaald on-Islamitisch rond. Wij kopen een badpak met lange mouwen en een rokje (dat ik kan combineren met een legging - enkels mogen niet zichtbaar zijn) en Adriaan koopt voor het eerst een knie-lange zwembroek. Wel van Speedo – je moet niet teveel tegelijk willen veranderen.

Adriaan is in zijn nopjes want Oman is het land bij uitstek voor dadels. Zijn geliefde lekkernij. Hij probeert de verschillende rassen. Hij heeft zijn (eveneens on-Islamitische) alcoholische versnapering bij de maaltijd vervangen door een dessert van thee en dadels.
Mijn ziekte verbetert niet. 'We' besluiten, vooral na aandringen door Adriaan, naar een ziekenhuis te gaan. De vriendelijk Indiase dokter laat een aantal laboratorium onderzoeken doen, hetgeen voor ons leidt tot drie opvolgende dagen met ziekenhuis bezoek. Het Tropisch Instituut had geen duidelijke diagnose en dr. Mohammed Ali al evenmin. Hij schrijft uiteindelijk vier medicijnen voor, in de hoop dat het beter gaat.

Toch weerhouden deze ongemakken ons er niet van om de Sultan Qaboos Grand Mosque en het Royal Opera House te bezoeken. De moskee is de grootste ter wereld, en zelfs voor iemand die niet religieus is, is een bezoek indrukwekkend. Marmer overal, een gigantische Swarovski-kroonluchter uit Oostenrijk en een handgeknoopt tapijt uit Iran dat zijn weerga niet kent. De dresscode is streng: mijn lang kleed en vestje zijn niet genoeg, omdat mijn enkels nét zichtbaar zijn is een bezoek niet toegestaan. Gelukkig kunnen we ons op de parking omkleden, we hebben ons huis bij. :) Ook het operahuis is meer dan een bezoek waard. Italiaanse marmer, Afrikaans hout, een bouwperiode van vier jaar en bij de opening (in 2011) een optreden van Placido Domingo.




Muscat laat een positief beeld achter: een nette stad met mooie residentiële wijken, gekoelde malls. In de Mall of Oman kun je zelfs schaatsen of bobsleeën terwijl het buiten dertig graden is (in de zomer wordt het iedere dag 40 graden en soms nog warmer). Het is de grootste en meest blinkende mall die we ooit zagen. Alle Omani die we ontmoeten zijn erg vriendelijk en respectvol.
We verlaten Muscat en trekken de bergen in, naar Jabal Shams. Het gebergte strekt zich majestueus voor ons uit. Gezien de harde windvlagen van de afgelopen weken besluiten we in de vallei te kamperen en niet op een klif van tweeduizend meter. We zijn niet de enigen met dat idee, maar wel de eersten, wat ons een mooi plekje oplevert. ‘s Ochtends worden we gewekt door een herder die hoog in de rotsen joelend achter zijn kudde geiten holt.


Bekijk meer fotos en de afgelegde route.