Net als de westkust van Saoedi-Arabië stond Jordanië niet op onze route. We houden niet zo van rechtuit rijden maar nu moet ik dus navigeren zonder papieren kaart van Jordanië. We zijn daarin een beetje ‘old-school’, of zou er al een opvouwbaar tablet zijn met een scherm ter grootte van 100 bij 100 centimeter?
We belanden vrijwel meteen in Wadi Rum. Deze vallei, bekend als de Maanvallei, ligt in het zuidwesten van het land en wordt omsloten door indrukwekkende rotswanden van zandsteen en graniet. Met haar oppervlakte van ongeveer 720 vierkante kilometer is het de grootste wadi van Jordanië. Wadi Rum is een uitgesproken toeristische bestemming. Bedoeïenenstammen die hier leefden – en deels nog steeds leven – hebben van die aantrekkingskracht hun bestaan gemaakt. Verspreid over het gebied liggen tal van kampen: soms luxueus en comfortabel, soms eenvoudig en sober, allemaal ondergebracht in tenten.
Het is winter. De lucht is fris, bijna scherp, en de stilte verraadt meteen dat dit geen hoogseizoen is. Aan de ingang worden we echter vrijwel onmiddellijk aangesproken door de paar gidsen die hier rondhangen, dik ingeduffeld, wachtend op business. We kopen een ticket dat ons toelaat 24 uur te blijven.

We zijn amper begonnen in het zand te rijden als Adriaan plots stopt. Zo’n bedoeïen gids, die wat geld verdient door twee verkleumde Italianen in zijn stokoude Toyota rond te rijden, is gestrand. De compressor van The Beast en een bandenplug zorgen dat er weer lucht in de band blijft zitten. Daarna laat glunderende Adriaan The Beast los: de zandheuvels op, beheerst maar speels, de motor laag grommend onder ons, terwijl het zand onder de banden wegschuift. Na een dagje rondrijden brengen we de nacht door ergens in de Wadi – helemaal alleen.




Daarna is het tijd voor Petra. Een naam die klinkt als een belofte. Volgens Adriaan een absolute must see: als je in Jordanië bent, kan je deze plek onmogelijk overslaan. Ik blijf nog even terughoudend – te groot, te bekend, te veel foto’s al gezien. Bovendien hebben we Hegra (gebouwd door hetzelfde volk) ook al gezien. We beginnen in het (leerrijke) Petra museum en zetten de volgende morgen na een kille kampeernacht onze eerste stappen in de verborgen stad.

Petra is doordrenkt van geschiedenis, uitgeroepen tot één van de zeven wereldwonderen in 2007, al voelt dat etiket hier overbodig. Je wandelt door een smalle vallei; de rotswanden sluiten zich langzaam om je heen, het licht wordt dunner, zachter, bijna tastbaar. En dan, plots, opent de ruimte zich. Voor je rijst Al Khazneh op – een schatkamer met een uit steen gehouwen graf, monumentaal en tegelijk kwetsbaar. Een beeld dat zich zonder moeite in je geheugen nestelt.


Het is slechts één van de vele graftombes die sinds 1812 bekend zijn, toen een Zwitser ze (her)ontdekte. Sindsdien duiken archeologen van over de hele wereld hier in de rotsen en het zand, laag na laag, verhaal na verhaal, met een geduld dat bijna oneindig lijkt. Elk detail vertelt zijn eigen verhaal: de schatkamer(s), het verfijnde irrigatiesysteem met keramiek waterpijpen, het samenspel van steen en landschap.
Ook hier laat het laagseizoen zich voelen. De waarschuwingen waren talrijk – over té veel toerisme, over opdringerige handelaars – maar vandaag verliezen ze hun geldigheid. De kou sluipt langs wel je enkels, langzaam en onvermijdelijk, maar de drukte blijft uit. Geen massa’s, geen gejaagdheid. Alleen ruimte om te kijken, om te blijven staan, om te zwijgen. Deze plek vraagt om stilte — en vandaag krijgt ze die.

Ik had gehoopt ook nog even te drijven in de Dode Zee. We besluiten niet te gaan kamperen omdat het hard waait. Ons hotel ligt aan het water, maar zwemmen blijkt onmogelijk: te veel golven, te streng verboden. ’s Avonds fonkelen de lichten van Jeruzalem in de verte, de grens wordt overal bewaakt; ze is onmiskenbaar aanwezig.

Onze laatste nacht in Jordanië brengen we door op een truckstop. Er is een groot restaurant met buffet (chauffeurs hebben altijd grote honger). We slapen op een parking tussen gebouwen die ons een beetje uit de wind houden. Niet romantisch, maar het volstaat voor één nacht.
De grensovergang naar Irak verdient de titel: “Oefening in geduld”. Er is bureaucratie tot in het extreme: op formulieren overgeschreven gegevens worden ingevoerd in computers die niet met elkaar praten door ambtenaren die elkaar niet kennen. Adriaan handelt het meeste af en wordt van het kastje naar de muur gestuurd. Net wanneer alles lijkt geregeld (na 4 uur formaliteiten), ontbreekt er nog een papiertje. Terug naar start.
De weg naar Bagdad is lang, eentonig en leeg. Alleen de wrakken langs de kant, de versperde bruggen en de constante aanwezigheid van politie en leger breken de monotone stilte. Ze zien ons van ver aankomen en zwaaien vriendelijk. Maar de uniformen, machine geweren en gepantserde auto’s geven me een ‘unheimliches Gefühl’.

Vijf checkpoints passeren we. Steeds moet iemand bellen om te checken of “de Belgische auto” bekend is. Bij het zesde checkpoint verandert de procedure: in het vallende duister wil de politie niet dat we zelf verder rijden. Onder escorte van een politieauto met zwaailicht worden we naar een versterkte post gebracht. The Beast begint op haar naamgenote te lijken! We mogen op de parking blijven slapen onder het wakend oog van de nachtwacht.

Er wordt gezocht naar politiemannen die wat Engels of Duits spreken. Ze staan erop dat we iets eten in hun kantine: men maakt een maaltijd voor ons klaar. We eten een rijke dampende soep, brood, rijst met stoofvlees van schaap. Intussen zijn we omringd door een tiental pratende agenten. (Waarover zouden die het hebben?) Adriaan geniet daarna van een warme douche; ik laat die aan me voorbijgaan. De sanitaire blokken lijken al even geen poetsvrouw meer gezien te hebben.’s Ochtends krijgen we ook nog een ontbijt. En 20 (!) flesjes water voor onderweg.
We rijden verder in konvooi. Vriendelijke Abdullah stuurt, de commandant van het bureau is ook mee. Hij draagt geen insignes op zijn uniform, maar bij elke controlepost die we nu passeren, volgt een strak saluut. In dit land zijn tekens van gezag niet altijd zichtbaar, maar wel onmiddellijk herkenbaar. Het wordt een estafette van escortes door het leger: een soldaat stuurt, een onderofficier leidt en in de bak van de pick-up staat een soldaat achter een bepantserde mitrailleur.

Bagdad is zoals de meeste steden die we bezochten: chaotisch. Overal getoeter. Chauffeurs doen maar wat, rijden door het rood, nemen ruimte die er niet is. Toch bereiken we zonder problemen Ur Plaza, een hotel van een Irakees die half in Duitsland woont. Van enige ‘deutsche Gründlichkeit’ is in zijn logement weinig overgebleven; het hotel vertoont heel wat gebreken.


Op zondag trekken we Bagdad in. Het is niet de stad, maar het zijn de mensen die opvallen. Door hun openheid. Hun warme vanzelfsprekendheid. Vele voorbijgangers heten ons welkom in Irak. We voelen ons alsof wij hier niet vreemd zijn, maar slechts laat aangekomen. Er worden foto’s gevraagd, selfies gemaakt, korte gesprekken aangeknoopt. Het contact is licht, maar niet oppervlakkig. Het Iraakse volk heeft twee keer de Amerikanen ‘op bezoek’ gehad (voor de bevrijding van Koeweit en later om massa-vernietigings wapens op te sporen) en hebben geleefd onder het juk van Het Kalifaat. Wellicht zijn toeristen een bewijs van normalisatie.

We wandelen door de boekenmarkt (Al Mutanabbi street) en drinken thee in het Shabander café, een oud theehuis waar vooral veel mannen zitten die sisha (waterpijp) roken. We staan aan de rand van de stad uren in de file voor het nationaal museum en voor het Martyr’s Monument (ter herinnering aan de Iran-Irak oorlog) – om vast te stellen dat beiden gesloten zijn. De teleurstelling weegt nauwelijks. Wat we zochten, vonden we elders.




We besluiten door te rijden, richting Turkije, vóór de onrust over het bestaansrecht van Koerdistan (in Syrië) opnieuw naar hier overwaait. We houden halt in Mosul, een stad die meer dan haar deel van de geschiedenis heeft gedragen. Ook hier raakt de houding van de mensen ons dieper dan verwacht.
Een zwarte Mercedes op leeftijd snijdt ons de pas af. Vier opgewonden jongens stappen uit, samen met hun vader. Hun glimlach is breed, hun enthousiasme ongeremd. Of ze foto’s mogen maken? Of wij mee willen naar hun huis – voor thee, voor een maaltijd, om te blijven slapen? We accepteren de uitnodiging voor de thee en belanden in een warme huiskamer waar tijd even zijn betekenis verliest. De veertienjarige zoon vuurt vragen op ons af, in gebroken Engels en met behulp van Google Translate. Zijn nieuwsgierigheid is ontwapenend. Deze ontmoeting nestelt zich stil in mij, zonder aankondiging, maar voorgoed.

De volgende dag wandelen we door Mosul. De sporen van de ISIS verwoestingen zijn niet te negeren: puin, open wonden, leegte. En toch is er, opnieuw, alleen vriendelijkheid. Groeten. Oogcontact. Een glimlach, een gesprek.


Misschien is dat wat me het meest bijblijft. Niet de chaos, niet de verwoesting, niet de onzekerheid. Maar een volk dat, ondanks alles, kiest voor openheid. Het Iraakse volk zal ik me altijd herinneren met een glimlach.


En zo komen we aan in Turkije. We zullen het land doorkruisen. De temperaturen dalen en daardoor reizen we anders dan gewoonlijk: van hotel naar hotel, beschutting zoekend tegen de kou. Toch blijft de natuur zich opdringen. Besneeuwde bergtoppen tekenen zich af tegen de lucht. Het is mooi. Alles voelt hier opvallend westers aan – vertrouwd, bijna geruststellend, na wat we achter ons laten.

Na een tweede lange dag bereiken we Osmaniye. In het hotel dat ik had uitgekozen, blijkt geen kamer meer beschikbaar. De manager schudt het hoofd: we zullen nergens in deze omgeving meer iets vinden, zegt hij, alles is volgeboekt. Zijn woorden klinken beslist, bijna onwrikbaar: morgen is het de herdenking van de aardbeving die hier drie jaar geleden plaatsvond. Vijftigduizend mensen kwamen om, hele wijken werden weggevaagd. Plots vallen de puzzelstukken op hun plaats. Rijen bewoonde containers en zelfs tenten die we onderweg zagen. De eindeloze nieuwbouw. Wat eerst leek op vooruitgang, blijkt in werkelijkheid een vorm van overleven, van opnieuw beginnen. Het landschap draagt hier niet alleen sneeuw, maar ook herinnering. En wij rijden erdoorheen, als tijdelijke getuigen.

Intussen lijkt de geboorte van het eerste kleinkind iets eerder dan verwacht te komen. Ik boek een vlucht naar België. Adriaan gaat de laatste etappes, waaronder een bootreis van veertig uur, alleen doen. Het einde van deze reis komt een beetje plotseling – ik moet er nog aan wennen. Maar er is altijd een ‘volgende’... Tot dan!

Bekijk meer fotos en de afgelegde route.